De lockdowns van de afgelopen twee jaar hebben de digitalisering van allerlei processen een enorme duw in de rug gegeven. Die trend heeft vervolgens weer de waardering van techondernemingen fors doen oplopen. Toch blijft een beursnotering voor de meeste van hen onbereikbaar, zeker in Nederland. De Amsterdamse effectenbeurs was in 2021 geen goede plek voor de gemiddelde techbeursgang – en is dat al vele jaren niet.

Terwijl de koersen op de aandelenbeurzen (waaronder ook die van Amsterdam) steeds verder stijgen, stelde Coolblue in oktober van dit jaar haar beursgang uit. Oprichter, ceo en bekende Nederlander Pieter Zwart noemde onzekerheid op de financiële markten de voornaamste reden voor het uitstel. Onzekerheid op de financiële markten, dat is beurs-taal voor: beleggers hadden er op het moment dat Coolblue de aandelen aan de man probeerde te brengen, toch niet zo’n trek in.

Hoe zit dat eigenlijk, dat beleggers geen zin hebben in techfondsen ondanks de schijnbaar ideale omstandigheden? In deze blog gaan we hier dieper op in. De relatie tussen technologiebedrijven en de effectenbeurs van Euronext Amsterdam is namelijk een best bijzondere.

Nemen we als startpunt de wereld van de programmeurs: IT-dienstverlening, software, artificial intelligence. Nederlandse beleggers zijn opvallend huiverig om groeikapitaal te verschaffen aan snelgroeiende bedrijven in digitale oplossingen. 

Die huiver zit ‘m voor een belangrijk deel in de behoudende aard van Noordwest-Europese beleggers; buurland Duitsland kent hetzelfde fenomeen. Risico-aversie, de vrees van beleggers om hun inleg te verliezen, is een stuk groter dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. Hier stipten we dat fenomeen al kort aan. 

In Nederland wordt die voorzichtige houding nog eens versterkt door het debacle rond de beursgang van WorldOnline in 2000 – dat met name de beleggers van 40+ nog helder voor de geest zal staan. Die ene keer dat Nederlanders hun behoudendheid ten opzichte van tech lieten varen, ging het namelijk goed mis. Het aandeel WorldOnline bereikte meteen na de beursgang een koers van 50 euro – in een enorme hype. Mensen die traditioneel gewend waren geweest braafjes te sparen, kochten bij de beursgang aandelen, niet verwachtend dat het mis kon gaan. Maar dat deed het wel. Kort na de IPO (beursgang, dus) stortte de koers binnen enkele weken in tot een niveau van minder dan 20 euro. 

Voor hen die hun aandelen niet verkochten, werd het overigens allemaal nog erger. WorldOnline werd overgenomen door de in Italië beursgenoteerde provider Tiscali. Daar ging de koers verder met een sneltreinvaart naar beneden. Het beursfonds bestaat vandaag de dag nog steeds. Voor een aandeel Tiscali betaal je de dag van vandaag 0,019 euro.

Tegenwoordig zijn er meer beleggers in Nederland. Ook is de kennis over beleggen, rendementen en risico’s gemiddeld genomen flink toegenomen. Maar De appetite om snelgroeiende techbedrijven een beursgang te gunnen, is tot op heden niet teruggekeerd. Dit najaar ging het Italiaanse softwarebedrijf MotorK naar de beurs, en dat ging met grote moeite. Eerst werd de beursgang uitgesteld. Vervolgens viel de opbrengst tegen. De onderneming had gehoopt 600 miljoen euro op te kunnen halen, dat werd 75 (!) miljoen euro. Ook dan zijn beleggers nog weinig enthousiast.

Vergelijkbare recente beursgangen zijn er in de afgelopen jaren nagenoeg niet – alle inspanningen van Euronext Amsterdam ten spijt. De beurs richtte in 2013 EnterNext op voor noteringen van kleinere ondernemingen – en koppelde daar vanaf 2017 een begeleidingsprogramma voor high tech wannabe-beursbedrijven aan: TechShare. 

Van een uitslaande brand is geen sprake. EnterNext is in Nederland allesbehalve een succes. De beursgang van LucasBols uit 2015 is nog wel het enige hoogtepunt te noemen. Bedrijven zitten blijkbaar niet te wachten op, zoals het wordt gezien, een halve beursnotering. Als men dan toch naar de beurs gaat, dan als een échte speler.

De cursussen die Euronext samen met een aantal partners organiseert in het kader van TechShare zijn vooralsnog wel een blijvertje. Maar dat succesje leidde dan weer niet tot een stroom aan beursgangen. De aard van het beestje is extreem terughoudend, zeiden we al.

Eén beursgang is in dit kader nog te noemen, en dat is die van softwarebedrijf cm.com uit Breda. Net als bij Coolblue ging een beursgang in eerste instantie niet door. Later wist het bedrijf via een al bestaande lege beurshuls – een zogenoemde SPCAC – alsnog naar de beurs te gaan. 

Minder moeite – dat maakt dit verhaal nog bijzonderder – hebben Nederlandse beleggers met het financieren van grote, internationale techbedrijven. Dan gaat het om concerns die ook de aandacht genieten van buitenlandse institutionele beleggers en analisten. Die internationale aandacht maakt ze dan ook voor Nederlandse beleggers weer interessant. 

Coolblue bleek wat dat betreft een randgeval. De Nederlandse retailer heeft een respectabele omzet van rond de twee miljard euro. Maar het bedrijf is nog wel heel erg gericht op Nederland. Takeaway.com daarentegen – omzet 2,5 miljard – is in ettelijke landen actief. Dát resoneert wel, op die Amsterdamse beurs. Het bedrijf kreeg op Euronext Amsterdam in 2016 een beursnotering en is inmiddels 13 miljard euro waard.

Neem verder betalingsreus Adyen (beurswaarde 79 miljard euro) – ook al zo’n harde groeier die in de laatste jaren zijn intrede heeft gedaan. En dan is er nog Prosus, de half Zuid-Afrikaanse, half-Nederlandse investeerder in technologiebedrijven. Die kreeg in 2019 een notering. Deze drie fondsen zijn inmiddels opgenomen in de AEX-hoofdindex van de Amsterdamse beurs – waar ze andere gevestigde technologiebedrijven tegenkomen: Philips enerzijds en anderzijds de chipfondsen ASML, Besi en ASM International.

De AEX bestaat inmiddels Voor 30 procent uit high techgiganten. Maar een duidelijke route richting een dream exit voor kleinere tech-ondernemers heeft de beurs (nog) niet gevonden.